De veldslag (5 juni 1288)


Woeringen overzichtskaart gebied

Overzichtskaart (LEHNART: Die Schlacht von Worringen, p. 114)

1. De plaats van de veldslag

Men is min of meer zeker over de locatie van de veldslag, al is er wat discussie over of het nu wat meer naar het oosten of het westen was. Redenen voor de onzekerheid: het terrein bij Woeringen is niet systematisch archeologisch onderzocht, maar boeren hebben bij het ploegen wel archeologische vondsten gedaan. En de Rijn heeft in de loop der eeuwen haar traject veranderd. Traditioneel plaatste men het slagveld tussen de Neusser Landstrasse en de Alte Römerstrasse. In 2 recente publicaties spreekt men dat tegen: de ene auteur (Ulrich Lehnart) plaatst het slagveld meer naar het westen; de ander (Jan Mahler) wat meer naar het oosten .

Op de kaart hierboven zien we bovenaan Woeringen, waar de burcht van de aartsbisschop gelegen was. Rechts ervan stroomt de Rijn. Ten zuiden van Woeringen ligt een hoefijzervormig moerassig gebied, nog steeds herkenbaar op hedendaagse satellietbeelden. Keulen ligt verder stroomafwaarts aan de Rijn. Het slagveld is te situeren tussen Fühlingen en het moerassig gebied.

2. Getalsterkte van de legers

Het is erg moeilijk om te bepalen hoe sterk middeleeuwse legers waren. Middeleeuwse kroniekschrijvers geven immers zelden letterlijk te nemen aantallen. Ze spreken bv. over honderdduizend man, wat hun manier is om te zeggen dat het er heel veel zijn. Men moet dus voorzichtige schattingen maken, gebaseerd op allerlei vergelijkingen.

Het leger van Brabant en bondgenoten:
  • 2300 ruiters (waarvan gemiddeld 1/3 ridders en 2/3 soldaten te paard)
  • 3000 man voetvolk, waarvan er zeker 500 (Brabanders) de burcht van Woeringen belegerden. Een deel van het voetvolk bestond uit boeren uit het graafschap Berg en waren dus minder goed bewapend.
Het leger van Keulen-Luxemburg-Gelre:
  • 2800 ruiters (waarvan gemiddeld 1/3 ridders en 2/3 soldaten te paard)
  • Veel minder voetvolk, want het grootste deel was nog onderweg naar het slagveld. Vermoedelijk was er wél voetvolk van de aartsbisschop van Keulen.
Woeringen opstelling

Opstelling van de legers (Ulrich LEHNART: Der Schlacht von Worringen, p. 139.)

3. Opstelling en strijdplan van de legers

De ruiterij van het hertogdom Brabant vormt het centrum van het leger. Als reserve dienen de Limburgse bondgenoten. Op de linkervleugel staat de ruiterij van de graven van Berg en Mark en het voetvolk van de graaf van Berg en de Keulse stadsmilities. Op de rechtervleugel staat de ruiterij van de graven van Jülich en Loon. Het Brabantse voetvolk belegert nog steeds de burcht van Woeringen en moet ervoor zorgen dat het garnizoen van de burcht tijdens de veldslag geen uitval doet en Brabant en bondgenoten in de rug aanvalt.

De hertog van Brabant besluit mee te strijden en geeft daarom het tactisch opperbevel aan de graaf van Virneburg. Meestrijdend kan hij immers het overzicht niet bewaren. Omdat hij vanzelfsprekend doelwit nummer 1 zal zijn, had hij met één van zijn ridders van wapenuitrusting kunnen wisselen, wat wel vaker gebeurde in middeleeuwse veldslagen. De Brabantse hertog kiest er echter voor mee te vechten in de voorste gelederen en in zijn eigen wapenuitrusting.

Bij de tegenpartij heeft de aartsbisschop van Keulen zich met zijn ruiters op de rechterflank opgesteld. Op die manier komt hij tegenover zijn opstandige stad te staan. Zo kan de graaf van Luxemburg opschuiven naar het centrum, waardoor hij niet rechtstreeks tegen de graaf van Berg (familie van hem) hoeft te vechten De graaf van Gelre en zijn ruiters vormen de linkerflank.

Vermoedelijk was dit het strijdplan van de aartsbisschop van Keulen:
  • Zelf hoopte hij de stad Keulen en de graaf van Berg te verslaan. Zijn ruiterij is driemaal zo sterk als die van Berg, dus die gaat weinig weerstand kunnen bieden. Daarna kan hij Brabant in de flank aanvallen.
  • Luxemburg zou de Brabanders frontaal aanvallen.
  • Gelre wou vermoedelijk de tegenstander in de rechterflank aanvallen (Loon-Jülich) en zo, samen met Keulen de tegenstander langs beide kanten overvleugelen.
Woeringen fase 1

Fase 1(LEHNART: Die Schlacht von Worringen, p. 140)

4. De veldslag

Fase 1: de aartsbisschop valt aan
Het plan van de aartsbisschop van Keulen lukt slechts deels: hij brengt het Keuls-Bergse voetvolk zware verliezen toe en ze slaan op de vlucht, maar hij kan de graaf van Berg niet verslaan. Die trekt zich immers terug, omdat hij beseft dat hij geen kans maakt tegen de grote overmacht van de aartsbisschop. Dat zorgt voor een dilemma.

Moet de aartsbisschop de graaf van Berg achtervolgen en hem definitief uitschakelen? Dan loopt hij het gevaar door Brabant in de flank aangevallen te worden.

Of steekt hij de straat over en valt hij zelf Brabant in de flank aan?




De aartsbisschop kiest voor de tweede optie. Het gevolg is wel dat zijn ruiterij haar samenhang verliest. De ruiters zijn aan een charge bezig en moeten dus op snelheid afbuigen. Bovendien kan je met een gesloten helm, het lawaai en het stof van de charge heel moeilijk communiceren, dus zal niet iedereen begrepen hebben wat er gebeurde. Ten derde moeten ze een weg oversteken die aan beide zijden met een gracht begrensd is. Dat alles leidt ertoe dat de georganiseerde aanval verandert in een ordeloze massa.
Woeringen fase 2

Fase 2 (LEHNART: Die Schlacht von Worringen, p. 141)

Fase 2: Brabant in de minderheid
Door het afbuigen van de Keulse ruiterij geraakt ook de rechtervleugel van de Luxemburgse ruiterij in verwarring. Toch is er een ernstig probleem voor de Brabanders, want de vijandelijke overmacht is zo groot dat ze overvleugeld dreigen te worden. De Keuls-Luxemburgse linie is immers breder dan de Brabantse.

Een oplossing zou zijn om de Brabantse linie te verbreden, maar dan zou ze dunner en dus kwetsbaarder worden en zou de talrijkere vijandelijke ruiterij kunnen doorbreken. Dat zou de nederlaag betekenen. De Brabanders kiezen ervoor de rangen goed gesloten te houden om een vijandelijke doorbraak te vermijden.

Terwijl de vijand nadert, besluit hertog Jan - ondanks de overmacht - ook tot de aanval over te gaan.




De rechterflank met Loon en Jülich blijft staan en beschermt zo de flank van Brabant. Op die manier verhindert ze de vermoedelijk geplande omsingeling door Gelre. Daarop verlaat een deel van de ruiterij van Gelre het slagveld en rijdt langs Woeringen-broek naar het Brabantse kamp om dat te plunderen. De rest valt mee met Keulen en Luxemburg Brabant aan. Daarop zullen Loon en Jülich zich vermoedelijk ook in de strijd geworpen hebben, want vanaf dan moest de flank niet meer beschermd worden.
Woeringen fase 3

Fase 3 (LEHNART: Die Schlacht von Worringen, p. 144)

Fase 3: Hevige strijd in het centrum
Onze belangrijkste bron van informatie, de kroniek van Jan van Heelu, focust zich vooral op de strijd in het centrum, waar nu zwaar slag geleverd wordt tussen Brabanders en Luxemburgers. Aan Brabantse zijde sneuvelt de oom van de hertog. De banierdrager van Brabant gaat neer, wat bijna tot paniek leidt. De hertog van Brabant verliest twee strijdrossen, maar vecht verder. Dat er ongemeen hard gevochten wordt, blijkt uit het feit dat zowel de graaf van Luxemburg als drie (!) van zijn (half)broers sneuvelen. Een hele generatie vindt de dood. Terwijl de strijd voortduurt, worden hun lijken vertrappeld, zodat ze ’s avonds na de slag niet meer herkenbaar zijn en mee met de andere gesneuvelden in een massagraf verdwijnen. Van hun aanvoerders en banier beroofd, worden de Luxemburgers in de verdediging gedrongen. Het zwaartepunt van de strijd verplaatst zich intussen naar de flanken.

Woeringen fase 4

Fase 4 (LEHNART: Die Sclacht von Worringen, p. 144)

Fase 4: de ontknoping
Op de Brabantse rechtervleugel zijn de graven van Loon en Jülich intussen aan het meevechten en is de toestand gestabiliseerd.

Op de Brabantse linkervleugel breken de Brabanders door de rangen van de troepen van de aartsbisschop van Keulen. Een deel van hen, zowel ruiters als voetvolk, slaat op de vlucht.

Op dat moment duiken op de rechterflank van de aartsbisschop van Keulen de ridders van Berg, Mark en wat later ook het teruggekeerde voetvolk van Keulen en Berg op. Bij hen hebben zich ook wat Brabantse knechten en voetsoldaten aangesloten. Vraag is of deze aanval gepland was of niet: de ene auteur denkt van wel; de andere niet. Feit is dat een geveinsde vlucht een beproefde tactiek was in de Middeleeuwen, maar in dit geval hebben ze dan wel heel lang gewacht om terug te komen. De beslissing was grotendeels al gevallen; dit was enkel de genadeslag.

De Keulse aartsbisschop beseft dat de situatie uitzichtloos is en geeft zich over. De graaf van Berg laat hem naar zijn burcht brengen en opsluiten. De Keulse ridders hebben na de overgave van hun aanvoerder niet veel zin meer om verder te vechten. Een deel kan vluchten, maar een groot deel wordt ook gevangen genomen.

Bij de graaf van Gelre is de situatie niet veel beter. Hoewel ze dapper vechten, is ook daar de strijd eigenlijk verloren. Als kort na elkaar twee van zijn banierdragers neergaan, houdt de graaf van Gelre het voor bekeken. Hij probeert te vluchten, maar wordt door de Brabanders gevangen genomen.

De strijd is gestreden. Het hertogdom Brabant en zijn bondgenoten winnen de slag bij Woeringen. Maar wat zijn nu de gevolgen?